“Ik hou van Amsterdam, maar de Indische buurt is mijn huiskamer”

Auteur: Jaika Koot in Mijn Stad

BLOK-redacteur Jaika Koot interviewde in het kader van verbinding in de stad Rob van Veelen (66), van 2008 tot 2017 participatiemakelaar in de Indische buurt. Wie is Rob precies en wat maakt hem zo’n goede verbinder?

Rob van Veelen. De man die in de Pijp woont, maar vanuit liefde voor zijn vak en de Indische Buurt dagelijks van 09:00 uur tot 22:00 uur in laatstgenoemde wijk te vinden is. De man die naast dat hij verbindingen probeert te leggen tussen (buurt)professionals, zo af en toe ook voor cupido speelt. Zo plande hij naar eigen zeggen eens een ‘werkafspraak’ tussen twee vermeend verliefde personen om de afspraak vervolgens zelf een stuk eerder te verlaten. Rob is de man die sinds 2017 officieel met pensioen is, maar ondertussen nog minstens net zo hard aan het werk is in de wijk. Hoe hij zorgt voor wat rust? Af en toe een ‘nee’ verkopen als hij voor de zoveelste organisatie ook nog als bestuurslid wordt gevraagd en met enige regelmaat een reisje naar Italië, zijn tweede vaderland.

——–

Het is maandagochtend half twaalf als Rob van Veelen café-restaurant het Badhuis in het hartje van de Indische Buurt binnenstapt. Hij ziet mij al snel zitten en ik ontvang een enthousiaste begroeting. Rob komt net terug van een tripje Parijs. Terwijl we wachten op zijn koffie laat hij mij foto’s zien van vrienden, de opera die hij bezocht heeft en gebouwen in de typische Parijse bouwstijl.

Je weet vast wel dat je de ‘Godfather van de Indische Buurt’ wordt genoemd, toch Rob?

“Godfather, knuffelbeer, wijkburgemeester, de grote vriendelijke reus. Een ambtenaar omschreef mij zelfs eens als ‘die buurtclown die kritiekloos achter elke dorpsgek aanloopt.’ Eerst was ik een beetje beledigd, maar eigenlijk zit er wel een kern van waarheid in. Een clown is iemand met wie je kan lachen en huilen en alle mensen die hier aan het werk zijn, die zijn (op een prettige manier!) ook wel een beetje gek. Zoveel tijd en energie die zij in hun werk steken!”

Wat is jouw rol in het werk van al die mensen?

“Ik heb nooit gedacht dat ik dingen beter weet, maar wil juist mensen inspireren en motiveren in plaats van te bekritiseren.” Rob lacht. “En dat vind ik eigenlijk heel tof. Mensen herkenning en erkenning geven.”

Je bent altijd in de wijk te vinden. Veel buurtbewoners vinden je dan ook speciaal en dragen je een warm hart toe.

“Eigenlijk zie ik mijzelf als een eenvoudige wijkambtenaar. Wel ervaar ik het zo dat buurtbewoners het persoonlijke contact en de interesse erg waarderen. Daar worden ze blij van. Ik vind het heel erg belangrijk dat ze zich trots voelen over wat ze doen in de wijk en dat het er ook echt toe doet. Die trots wil ik ze graag laten voelen.”

Al lange tijd ben je niet meer weg te denken uit de buurt. Maar voor 2008 was dat nog anders.

“Ja, dat klopt. Ik was voordat ik hier begon werkzaam in Geuzenveld. Daar heb ik een zogenoemd ‘wijkweb’ opgezet: Een spinnenweb in de wijk, waarbij er zo veel als mogelijk mensen met elkaar in Geuzenveld verbonden zouden zijn.”

Dat lijkt mij nog best een uitdaging. Vertel…

“In eerste instantie ben ik gaan kijken hoe de wijk in elkaar zat. Welke functies heeft een wijk (ontmoeten, wonen, naar school gaan, werken etc.), welke factoren spelen daar in mee en welke activiteiten vinden er al plaats. Op een gegeven moment hadden we een groepje van zestien bewoners die iets wilden doen en betekenen in hun wijk. Op hun eigen beurt konden ook zij weer andere bewoners enthousiast maken en creëerden we een ‘olievlek’.”

“Participatiebijeenkomsten zijn vaak heel saai”, heb ik je weleens horen zeggen. Wat maakte deze nieuwe vorm van werken zo anders?

“We konden ineens ‘bottom up’ werken. De bewoners organiseerden en nodigden op een creatieve en persoonlijke manier ambtenaren uit om te praten over wat er gebeurden in de wijk. Het was geen bijeenkomst die alleen interessant was voor mensen die goed gebekt zijn, maar het werd een bijeenkomst van en voor iedereen. Op een gegeven moment was er zelfs iemand die elke keer iets creatiefs meebracht naar de bijeenkomsten of iets geks deed. Op deze manier werden de bijeenkomsten bijna een feestje. We waren allemaal benieuwd naar wat er nou weer zou gaan gebeuren.”

Verbinden’ is jou wel op het lijf geschreven?

“Het zit in mij. In groepen ben ik vaak de verbindende factor.”

Zijn er verbindingen, specifiek in de Indische Buurt, die je zijn bijgebleven?

“De verbinding tussen de Schaakschool van Mustapha El Jarmouni en het creatieve buurtatelier Tante Gerritje van Simone Hoogervorst. Beide hadden totaal verschillende netwerken en achtergronden, maar creëerden samen een levend schaakspel inclusief prachtige kostuums. Ze vonden elkaar. Overigens: Ik zet in op verbindingen, maar vind het wel belangrijk dat mensen hun eigen verbinding maken. Het is iets persoonlijks, iets wat van hunzelf is.”

Heel veel mensen kennen je. Word je er nooit eens moe van?

“Geen verbinding is mij te veel! Ik vind er geen enkele negatieve kant aan zitten en vind het juist leuk om nieuwe mensen te ontmoeten. Voordat ik dit werk deed, had ik bijvoorbeeld veel contact met mensen van mijn eigen achtergrond. Door dit werk ontmoette ik een hele nieuwe groep mensen, kon ik deel zijn van de gemeenschap en was ik niet alleen ‘de ambtenaar’.”

Een dubbelrol?

“Zo zou je het eigenlijk wel kunnen zien. Ik kon de systeemwereld verbinden met de buurtbewoners en de buurtbewoners verbinden met de systeemwereld en realiseerde mij vanuit beide posities hoe lastig de dingen soms kunnen zijn.”

We hebben het nu veelal gehad over de positieve kanten van het verbinden van mensen. Ervaar je ook wel eens mindere kanten?

“Soms misgunnen mensen elkaar dingen. Dan speelt de jaloezie ineens op, spreken ze kwaad over elkaar en achten ze zichzelf beter. De Indische Buurt is geen community van engelen. Anderzijds: conflicten kunnen je ook productief maken en een vorm van jaloezie is eigenlijk ook verbinding. Er zit iets achter en het is mijn kunst om daar achter te komen. Ik probeer alert te zijn op signalen, mensen te bevragen en zo spanningen weg te nemen.  Ik ben een beetje een wijkpsycholoog, maar ga nergens tussen zitten.”

En toen moest je na acht jaar trouwe dienst ineens met pensioen!

“Ja, dat vind ik eigenlijk helemaal niet leuk.” Rob lacht een beetje betrapt. “Maar het is goed voor de gemeentelijke organisatie, dan is er weer wat ruimte voor jonge doorstroom.

Het eerste jaar vond ik wel erg moeilijk, hoor. Ik was mijn positie als spin in het web kwijt.”

We zeggen nu wel pensioen, maar je bent eigenlijk helemaal niet weg uit de wijk en doet volop van alles en nog wat. Besmet met het Indische Buurt-virus?

“Toen ik hier in 2008 kwam werken werd ik gelijk verliefd op de wijk. Als je hier iets doet, vindt iedereen het bijzonder wat er voor zorgt dat er veel ruimte is voor door de buurt opgestarte ontwikkeling. Die verliefdheid is nooit meer weg gegaan, maar alleen maar heftiger geworden. Ik ben gehecht aan de mensen hier, word altijd wel tien keer gegroet. Ik hou van Amsterdam, maar de Indische Buurt is mijn huiskamer, het warme bad. Die elementaire behoefte aan een hechte gemeenschap, het voor elkaar zorgen en het niet vergaan in de anonimiteit. Bijna een beetje een dorpsgevoel.”

Dus, met andere woorden: Je blijft nog wel even?

“Oh, ja, zeker! Ik zie geen enkele reden om de wijk uit te gaan. In tegendeel zelfs. Ik sta met allemaal buurtbewoners en organisaties juist aan het begin van allemaal nieuwe projecten!

Het grote gemeenschapsgevoel hier draagt er aan bij dat ik er steeds zo graag terugkom. En dan die mooie balans tussen de beweging van onderop en van bovenop. Die moeten we koesteren, want die is niet vanzelfsprekend. Ik wil hier tot het einde der tijden blijven.”

Tot slot: Is er iets wat je graag zou willen meegeven aan de buurt?

“Hoop, geloof, liefde en geduld. Hoop omdat we moeten blijven denken dat de wijk het beter kan krijgen. Geloof omdat we daar een betekenis in kunnen hebben. Liefde omdat je van je medebewoners mag houden. Geduld omdat de gemeente soms een veelkoppig monster kan zijn. Dit laatste is natuurlijk afhankelijk van de desbetreffende ambtenaren waar je mee te maken hebt. Zijn ze lastig en demotiveren ze je daardoor of denken ze juist veel met je mee.”

We ronden het interview af. Rob vertelt in de gauwigheid nog even dat hij door een oud-collega is benaderd om zijn opinie over een vraagstuk te geven. Iets over participatie en co-creatie in de wijk en het niet alleen vanuit de Gemeente bekijken en zeggen dat het gebeurt, maar het ook echt laten zien en burgerinitiatieven de ruimte te geven.“Initiatieven zijn er niet alleen om gemeentelijke doelen te dienen, maar juist ook om samen die samenleving te bouwen en behouden.” Het zijn een paar laatste wijze woorden voor nu van ‘de Godfather van de Indische Buurt’ vlak voordat hij het café uitloopt en weer op zijn fiets springt. Vast en zeker op weg naar een volgende verbinding.