Sarah in Marokko

Auteur: Sarah Borgerdijn in Een nieuw begin
Tweede van rechts Sarah met haar klasgenoten

Onderdeel van de themamaand ‘Een nieuw begin’.

Vijfentwintig dagen geleden verhuisde ik naar een land waar niemand mij nog kende. Om te gaan wonen in een stad waar niemand ooit van mij had gehoord. Mijn voetstappen stonden er nog niet in het zand, mijn schelle stem had nog nooit door de smalle straten van de medina gegalmd. Met een koffer vol kleding en een hoofd vol verwachtingen stapte ik in Amsterdam het vliegtuig in, en in Rabat stapte ik er weer uit.

Inmiddels woon ik bijna een maand in Marokko. Dankzij mijn gastgezin heb ik mij hier vanaf dag één thuis gevoeld. Ze haalden mij op van het vliegveld en namen mij op in hun familie. Mijn gastvader Rachid is een hartelijke man, aan wie ik vragen mag stellen over elk onderwerp. Ik woon samen met hem, zijn 21-jarige dochter Dounia en een andere Nederlandse student in een rustige woonwijk. Met de tram ben ik in twintig minuten in het levendige stadscentrum.

Elke ochtend word ik gewekt door een moskee in mijn buurt, die met de azan moslims oproept tot het gebed. De tekst die door de speakers schalt, begint met ‘Allahu akbar’. Als ik de eerste woorden hoor, weet ik dat ik me nog even kan omdraaien. Mijn ontbijt bestaat uit een petit pain au chocolat, een stukje kaas en twee kopjes zoete muntthee. Omdat ik altijd moet haasten om op tijd bij college te zijn, snij ik een deel van de route naar de tramhalte af door ‘binnendoor’ te lopen, kriskras door de woonwijk. Aan de kleine balkons van de ietwat vervallen huizen hangt schone was te drogen, en miauwende katten lopen over het gras tussen de huizen. ’s Ochtends is het fris buiten, er hangt een kalme en serieuze sfeer op straat. Rond acht uur snellen mensen zich naar werk of studie. Niemand heeft tijd om zich met een ander te bemoeien.

De tram zit elke ochtend propvol met studenten. Als ik instap, zie ik donkere ogen nieuwsgierig naar me staren. Iedereen kwettert in Arabisch erop los. De tram stroomt leeg bij de eindhalte, waar ik ook uitstap. Om in Rabat een tram uit te stappen moet je assertief zijn, want iedereen probeert zich al naar binnen te persen voordat alle mensen eruit zijn. De eerste keer was ik hierdoor zo overdonderd, dat ik er niet op tijd uitkwam en noodgedwongen een extra halte meereisde.

De eindhalte is een campus met verschillende universiteiten. Het wemelt er ’s ochtends van de studenten en taxichauffeurs die ritjes proberen te verkopen. Voor omgerekend 50 eurocent zet een taxi mij een minuut later voor de deur van de universiteit af. Liever loop ik het laatste stukje, het is een goede manier om wakker te worden. De kleine privéuniversiteit waar ik studeer, ligt aan het eind van een lange weg. Terwijl ik het gebouw in de verte zie opdoemen, voel ik aan de lucht dat het een warme dag gaat worden. Een paar uur later straalt de zon aan de strakblauwe hemel en is het 32 graden.

Mijn lesdagen op de universiteit zijn lang. Naar Frans model duren colleges hier twee uur, in Nederland ben ik gewend aan 2×45 minuten met tussendoor een kwartier pauze. Mijn concentratie wordt zwaar op de proef gesteld, vooral wanneer het 30 graden is en de docent weigert de airconditioning aan te doen. Op zo’n moment staar ik uit het raam en droom ik over alle reizen die ik nog in dit land wil maken.

Soms mis ik mijn familie, mijn vriend of mayonaise bij mijn friet (hier krijg je als saus ketchup of mosterd). Maar met nog vier maanden te gaan, heb ik nu al een belangrijke les geleerd: zelfs als je naar een land verhuist waar niemand je kent, ben je na vijfentwintig dagen geen vreemde meer. Gisteravond hadden mijn gastvader Rachid en ik een verhitte discussie – over een onbenullige kwestie, maar daar gaan de beste discussies over. Opeens verzuchtte hij: ‘Sarah, waarom moet je nou zo koppig zijn?’ Ik hield mijn mond, dit leek me een moment waarop ik beter niks kon zeggen. Gelukkig sprak hij vervolgens de zin uit die zich al in mijn hoofd had gevormd: ‘Ik weet het al, het is omdat je Sarah bent.’